Warme douche

Klik, tok. Klik, tok. Besmeurd met Drentse modder en zand kneep ik in de remmen om zo snel mogelijk uit de pedalen te klikken. Ik stond weer met beide benen vast aan de grond en voelde onder m’n voeten de stenen van de parkeerplaats waarop het mobiele teamkamp achter de finish was opgebouwd. Gelukkig maar. Halverwege in de Ronde van Drenthe, toen de kou me een koppie kleiner probeerde te maken, was het gevoel namelijk ver te zoeken. Ik had uitstekende teamkleding aan, drie lagen over elkaar, maar regen en hagel, bij een windkracht die geen genade kende, trokken toch aan het langste eind.

Wat je op zulke momenten kunt doen om warm te blijven? Zo heel veel keuzemogelijkheden heb je eigenlijk niet. Ik dacht telkens aan m’n tred: Jeanne, rijd licht en laat die benen draaien. Het beste is misschien nog om volle bak te gaan koersen – rammen op die pedalen! – maar daarin leek het peloton geen trek te hebben. In een slakkengang hobbelde het over de natte en schots en scheef liggende kasseien. De snelheid zakte terug tot onder de 35 kilometer per uur, terwijl je op de stenen juist met een grotere versnelling vaart moet maken om er goed overheen te komen. Ik ging mee in het sukkeltempo, koelde af en waaide mede daardoor naar achteren na een prima begin.

Had ik een laagje extra aan moeten trekken? Niet bij de start, want toen was het nog warm genoeg, maar misschien wel toen het tempo als een kaartenhuis inzakte. Ik had eerder naar de volgwagen gemoeten om wat extra kleding uit de wagen te grissen. Je wilt het op zulke momenten wel, maar je weet ook dat je in een koers als de Ronde van Drenthe altijd alert moet zijn, omdat er in elke fase van de wedstrijd een beslissende move kan plaatsvinden. Je wilt je niet laten afzakken naar de wagen in de karavaan en daar van je ploegleider horen dat de koers van voren is ontbrand.

Je weet dat je in een koers als de Ronde van Drenthe altijd alert moet zijn, omdat er in elke fase van de wedstrijd een beslissende move kan plaatsvinden

Terug bij de teambus, waar onze chauffeur bidons met warme thee had klaargezet, besefte ik me dat we dit jaar eigenlijk alle seizoenen al voorbij hebben zien komen. En dat terwijl het jaar nog amper begonnen is. De Ronde van Drenthe was dus grillig met regen, windkracht vijf, hagel en af en toe een verdwaalde zonnestraal. En ook de Strade Bianche, een week eerder, kende veel gezichten. We startten ’s ochtends in de kou en het geneutraliseerde deel ging ook nog eens heuvelaf, dus opwarmen was er daar niet bij. Maar nadien steeg de temperatuur; bij de eerste onverharde strook kon het eerste laagje al uit. Als je de foto’s van stoffige rennersgezichten na de finish bekijkt, weet je hoe het de rest van de dag was.

Aan het begin van het klassieke voorjaar was het in de Omloop Het Nieuwsblad behoorlijk fris – behalve dan in het volgepakte Kuipke waar de vele uitzinnige fans je een warm gevoel bezorgden bij de teamvoorstelling. De omstandigheden in Vlaanderen waren een schril contrast met de wedstrijden daar weer voor, in Australië, in januari. Daar sloeg het kwik uit naar meer dan veertig graden. In Melbourne meerdere dagen op rij en ook in Adelaide, waar we aan het begin van onze trip in Australië vertoefden.

Denkend aan die wisselende weerbeelden vroeg ik me af wat ik nou eigenlijk vervelender vind: koersen bij extreme kou en regen of koersen bij hitte? Ik ben er nog steeds niet over uit. Want het is allebei pijnlijk, alleen op een andere manier. Bij de kou van afgelopen weekend blokkeer je; het lichaam wil niet meer vooruit. En bij warmte schiet je hartslag wolkenkrabberhoog de lucht in. Toen we in onze slotwedstrijd in Melbourne volle bak op kop sleurden bij veertig graden klopte het hart 190 slagen per minuut. De verzorgers moesten me na afloop bij elkaar rapen net zoals je dat doet met een vaas die in tientallen stukken uiteen op de grond is gevallen.

De Ronde van Vlaanderen blijft qua historie, heroïek en beleving ver boven alle klassiekers uitstijgen

Inmiddels ligt de Ronde van Drenthe alweer een paar dagen achter ons, ben ik hersteld en warm ik me op aan de mooie dingen. Onder meer aan de goede weersvooruitzichten – de buitentrainingen kan ik weer moeiteloos uitvoeren! – en aan de gedachten aan de fantastische wedstrijden die komen gaan: de Trofeo Alfredo Binda, Gent-Wevelgem en natuurlijk de Ronde van Vlaanderen. Laatstgenoemde blijft zeker qua historie, heroïek en beleving ver boven alle klassiekers uitstijgen. Het is een genot om straks tegen de Oude Kwaremont en Paterberg op te knallen.

Met de goede start van het seizoen is er ook vertrouwen voor de eerstvolgende wedstrijden die voor m’n wielen liggen. Ik kan alleen maar dik tevreden zijn met een goed resultaat in de Omloop Het Nieuwsblad (zesde) en een perfecte dag in de Strade Bianche. Ik verbaasde mezelf in Toscane door vrijwel de hele dag aan het front mee te strijden. Misschien steeg ik die dag boven mezelf uit, misschien is dit gewoon het niveau waar ik sta na al het voorbereidende werk in de afgelopen maanden.

Of het zelfvertrouwen een deuk heeft opgelopen door de mindere Ronde van Drenthe van afgelopen weekend? Nou nee, want in het seizoen heb je altijd een slechte wedstrijd. Ik had hem zondag door een mix van omstandigheden: ik had last van het weer en m’n benen waren gewoonweg niet goed genoeg. Het is jammer dat het in eigen land gebeurt en dan ook nog eens in een WorldTour-wedstrijd. Ik heb m’n lessen getrokken en bewaar vooral het heerlijke moment van de wedstrijddag: het einde, toen ik terug was in de bus. Nog nooit heb ik zo lang na een wedstrijd onder de warme douche gestaan.

Foto: Anton Vos/ Cor Vos

Menu